1848

Grondwetsherziening

De leden van de Tweede Kamer worden voortaan rechtstreeks gekozen. Alleen mannen van 23 jaar en ouder, die een bepaald bedrag aan belasting betalen, mogen stemmen.
Lees meer
  • J.R. Thorbecke

Bij de grondwetsherziening van 1848, waarvan Thorbecke de belangrijkste architect was, zette Nederland een beslissende stap op de weg naar een volwaardige parlementaire democratie. De ministeriële verantwoordelijkheid werd ingevoerd en de koning werd onschendbaar. Dat betekende het einde van de politieke macht van de koning. Ministers waren niet langer verantwoording verschuldigd aan de koning maar aan het parlement. Het parlement bestond sinds 1815 uit twee kamers. Dat tweekamerstelsel was ingevoerd op voorspraak van de Belgen, met wie wij van 1815 tot 1830 een Verenigd Koninkrijk vormden. Er was een Eerste Kamer, waarvan de leden werden benoemd door de koning. En er was een Tweede Kamer, waarvan de leden indirect werden gekozen door de leden van de Provinciale Staten. Dit laatste systeem werd vanaf 1848 gebruikt voor het verkiezen van de  leden van de Eerste Kamer. De leden van de Tweede Kamer zouden voortaan rechtstreeks worden gekozen door een deel van de mannelijke bevolking. Het ging alleen om mannen van 23 jaar en ouder die een bepaald bedrag aan belasting betaalden (censuskiesrecht heette dat). In de praktijk betekende dit dat nog geen 11 procent van de mannelijke bevolking mocht stemmen. Wij zijn op dat moment dus nog ver verwijderd van het algemeen kiesrecht.

1850

De drempel verlagen om mee te doen

Vergeefse pogingen om meer mensen stemrecht te geven.
Lees meer
  • Uit de kieslijst voor verkiezingen Tweede Kamer, gemeente Den Haag, 1860, onder aan de pagina staat J.R. Thorbecke.

 

In deze periode werden verschillende pogingen ondernomen om de drempel voor het verkrijgen van kiesrecht te verlagen. Zo kon het bedrag dat je aan belasting moest betalen om kiesrecht te krijgen per gemeente verschillen. Een voorstel om dat gelijk te trekken werd verworpen. Ook voorstellen om het bedrag aan te betalen belasting te verlagen werden verworpen en soms niet eens in behandeling genomen.

1887

Grondwetsherziening

Zeer beperkte uitbreiding van het kiesrecht voor mannen.
Lees meer

De grondwet van 1848 was inmiddels al weer bijna veertig jaar oud en toe aan herziening. Daarom werd een staatscommissie ingesteld die een grondwetsherziening moest gaan voorbereiden. Uiteindelijk werd die herziening in 1887 gerealiseerd. Omdat er grote politieke verdeeldheid bestond over de uitbreiding van het kiesrecht werd gekozen voor een formulering die nog veel opties openhield. In de grondwet werd bepaald dat het kiesrecht toekwam aan mannen die bepaalde kenmerken van geschiktheid en maatschappelijke welstand hadden. Dat was het zogenaamde caoutchoucartikel. Wat die kenmerken dan konden zijn, daarover ontstond uiteraard een heftige discussie. Dat moest in een nieuwe kieswet worden geregeld. Veel effect had deze grondwetsherziening overigens nog niet, want het percentage mannen dat op grond van een aan de grondwet toegevoegd artikel mocht stemmen was in 1890 nog maar iets van 14 procent. Vóór 1887 stond niet in de grondwet dat het kiesrecht alleen aan mannen toekwam. Dat vond men zo vanzelfsprekend dat het niet eens was opgeschreven. Aletta Jacobs maakte hiervan gebruik en probeerde zich in 1883 verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraad van Amsterdam. Dat was natuurlijk niet de bedoeling en daarom werd snel in de grondwet opgenomen dat het kiesrecht alleen toekwam aan mannelijke ingezetenen.

1894

Wetsvoorstel minister Tak van Poortvliet

Wetsvoorstel van minister Tak van Poortvliet om de meeste mannen kiesrecht te geven leidt tot weerstand in de Tweede Kamer. De minister trekt het wetsvoorstel uiteindelijk in.
Lees meer

De nieuwe bepaling van de grondwet bood dus wel ruimte om tot uitbreiding van het kiesrecht te komen. De kieswet moest gaan uitmaken om welke kenmerken van geschiktheid en maatschappelijke welstand het zou moeten gaan. De eerste die daartoe een poging waagde was minister Tak van Poortvliet. Dat was een progressieve liberaal. Hij stelde voor dat het kiesrecht toekwam aan iedereen die kon lezen en schrijven (geschiktheid). En verder ook aan iedereen die niet van de bedeling leefde (maatschappelijke welstand). Dit wetsvoorstel leidde tot grote weerstand in de Tweede Kamer. De minister trok het wetsvoorstel in nadat een amendement was aangenomen dat het effect van het wetsvoorstel beperkte. Het kabinet besloot daarop de Tweede Kamer te ontbinden. De daarop volgende verkiezingen voor een nieuwe Tweede Kamer stonden geheel in het teken van de al dan niet gewenste uitbreiding van het kiesrecht. De tegenstelling liep dwars door de partijen heen. Progressieven (Takkianen), die verregaande uitbreiding van het kiesrecht wilden, stonden tegenover de conservatieven (anti-Takkianen), die niet zo ver wilden gaan. Bij de verkiezingen van 1894 behaalden de anti-Takkianen een ruime meerderheid: zij kregen 56 van de 100 zetels.

1896

Nieuwe kieswet van Van Houten

Nieuwe kieswet van Van Houten leidt tot uitbreiding van het kiesrecht voor mannen. Wel gaat de kiesgerechtigde leeftijd omhoog naar 25 jaar.
Lees meer
  • Bron: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

In het nieuwe kabinet trad Van Houten aan als nieuwe minister van Binnenlandse Zaken. Hij zou slagen waar Tak van Poortvliet faalde. Hij kreeg een nieuwe kieswet door de Kamers. Hij gaf een wat andere invulling aan de begrippen kentekenen van maatschappelijke welstand en geschiktheid. Die zouden worden bepaald door: het betalen van belastingen, het bezit van spaargeld, het behalen van bepaalde examens, het verdienen van een bepaald loon en/of het bezit van een woning. Door deze nieuwe regeling had rond 1900 bijna 50 procent van de volwassen mannelijke bevolking stemrecht. Wel was de leeftijd om te mogen gaan stemmen verhoogd tot 25 jaar. En vanaf dat moment moesten de mensen in een stemlokaal hun stem gaan uitbrengen.

  • Bron: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

  • Bron: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

1911

Demonstratie voor algemeen kiesrecht

Op Prinsjesdag worden bij een grote demonstratie 300.000 handtekeningen aangeboden voor invoering van algemeen kiesrecht.
Lees meer
  • Bron: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

De wetswijzigingen van Van Houten waren al wel een flinke stap in de richting van het algemeen kiesrecht. Maar ze gingen de sociaaldemocraten lang niet ver genoeg. Terwijl sommige liberalen ze al veel te ver vonden gaan. Die waren dan ook in de loop van de tijd steeds conservatiever geworden. Uit onvrede over de conservatieve koers van de liberalen ontstond er een nieuwe partij: de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB). Deze partij had het algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen hoog in het vaandel staan. Het was vooral de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) die zich sterk maakte voor het algemeen kiesrecht. De partij ging actie voeren om dit te realiseren. Dat begon in september 1910 met een grote manifestatie op het IJsclubterrein in Amsterdam. Daar kwamen 25.000 mensen op af – voor die tijd een ongekend aantal. Het daaropvolgende jaar vonden er acties, demonstraties en betogingen voor het algemeen kiesrecht plaats, uiteindelijk uitlopend op een grote demonstratie op Prinsjesdag 1911 in Den Haag. Daarbij werden 300.000 handtekeningen aangeboden. Ook dit aantal maakte grote indruk. Een jaar later was er weer op Prinsjesdag een grote betoging. Deze dagen zijn bekend geworden als de Rode Dinsdagen. Het optreden van de SDAP leidde ertoe dat de invoering van het algemeen kiesrecht een belangrijk thema werd bij de Kamerverkiezingen van 1913. De socialisten en de progressieve liberalen maakten flinke winst bij die verkiezingen. Het liberale kabinet-Cort van der Linden, dat toen aantrad, nam de invoering van het algemeen kiesrecht op in zijn programma. Onder die voorwaarde bleek de SDAP bereid dit kabinet te gedogen/steunen. Bij de grondwetsherziening van 1917 werd het definitief geregeld.

1917

Grondwetsherziening

Het algemeen kiesrecht voor mannen wordt ingevoerd. Er komt een stelsel van evenredige vertegenwoordiging.
Lees meer
  • Bron: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

De invoering van het algemeen kiesrecht was niet het enige netelige punt in de politieke arena van die tijd. Over de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs werd al veel langer politieke strijd gevoerd. Liberalen en socialisten begrepen dat zij het algemeen kiesrecht er nooit doorheen zouden krijgen als zij de confessionelen niet tegemoet zouden komen in hun wens van gelijke bekostiging van openbaar en bijzonder onderwijs. Uiteindelijk werden zij het in 1916 eens over een grote uitruil. Tevens werd daarbij geregeld dat er een ander kiesstelsel kwam. Het oude districtenstelsel was achterhaald nu er in de afgelopen decennia een volwaardige partijendemocratie tot ontwikkeling was gekomen. Daarbij paste een systeem van evenredige vertegenwoordiging veel beter. Alle drie deze grote veranderingen kregen hun beslag bij de grondwetsherziening van 1917. Sindsdien noemen we dat de Pacificatie: politieke partijen ruilen standpunten uit zodat er voor elk wat wils is. Die manier van politiek bedrijven zou voortaan dominant zijn in de Nederlandse politieke cultuur.

1918

Eerste verkiezingen Tweede Kamer met algemeen mannenkiesrecht

Vrouwen hebben nog geen kiesrecht, maar kunnen wel gekozen worden.
  • Kandidatenlijst kieskring IX Amsterdam voor verkiezingen Tweede Kamer 1918.

1919

Eerste verkiezingen Provinciale Staten met algemeen mannenkiesrecht

Vrouwen hebben nog geen kiesrecht, maar kunnen wel gekozen worden.
1919

Eerste verkiezingen gemeenteraden met algemeen mannenkiesrecht

Vrouwen hebben nog geen kiesrecht, maar kunnen wel gekozen worden.
1919

Vrouwenkiesrecht

Invoering algemeen kiesrecht voor vrouwen.
Lees meer
  • Bron: Atria, Amsterdam

Bij de invoering van het algemeen kiesrecht waren de liberalen terughoudend met het eisen van algemeen kiesrecht voor vrouwen, omdat dit binnen de confessionele partijen nog erg omstreden was. Volstaan werd met het wegnemen van grondwettelijke belemmeringen om vrouwen het kiesrecht te verlenen. Daarvoor zou dan in de toekomst een gewone parlementaire meerderheid voldoende zijn. De confessionele partijen dachten dat zij dat met hun meerderheid wel tegen konden houden. Aan het eind van 1918 waren er revolutionaire woelingen, in heel Europa, maar ook in ons land. Onder die druk ging er van alles schuiven. De regering kondigde een nieuwe staatscommissie aan die hervormingen moest gaan voorbereiden. De VDB-voorman Marchant had eerder dat jaar een initiatiefvoorstel ingediend om het vrouwenkiesrecht in te voeren. De regering gaf nu aan positief te staan tegenover dit initiatief. In de eerste helft van 1919 kwam het in behandeling. En op 9 augustus 1919 kwam het wetsvoorstel in het Staatsblad te staan en kreeg het kracht van wet.

Meer informatie over het vrouwenkiesrecht (website van Atria).

1922

Eerste verkiezingen Tweede Kamer met algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen

1923

Eerste verkiezingen Provinciale Staten met algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen

1923

Eerste verkiezingen gemeenteraden met algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen

1946

Kiesgerechtigde leeftijd omlaag

Kiesgerechtigde leeftijd gaat omlaag van 25 naar 23 jaar. In de daaropvolgende jaren wordt dit 18 jaar.
Lees meer

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog is de kiesgerechtigde leeftijd in een aantal stappen verlaagd. In 1946, vrij snel na de bevrijding, ging de leeftijd voor het kiesrecht weer naar 23 jaar. In 1965 werd de volgende stap gezet, naar 21 jaar. Dat was toen de meerderjarigheidsgrens. In 1972 werd de volgende stap gezet. Vanaf dat jaar kreeg iemand op zijn achttiende jaar het kiesrecht. Een overweging daarbij was dat in ieder geval jongens op die leeftijd wel geacht werden in de militaire dienst te kunnen functioneren. Dan zouden ze toch ook moeten kunnen meebeslissen over de route van het land? Sindsdien is al wel enkele malen voorgesteld de leeftijd voor het kiesrecht verder te verlagen tot 16 jaar. Maar een concreet voorstel daartoe is tot op heden nooit ingediend. Ook werd in diezelfde tijd de opkomstplicht afgeschaft.

1983

Grondwetsherziening

Niet-Nederlanders krijgen stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen.
Lees meer
  • Bron: Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Groningen.

In de Grondwet van 1983 werd bepaald dat ook niet-Nederlanders het recht hebben om leden voor  de gemeenteraad te kiezen en ook om zelf gekozen te worden. Bij een wijziging van de kieswet in 1985 werd dit nader geregeld. Zij moeten uiteraard minimaal aan dezelfde eisen voldoen als Nederlandse kiesgerechtigden. Daarnaast moeten zij minstens vijf jaar legaal in Nederland hebben gewoond. Andere ingezetenen van de EU hebben die wachttijd van 5 jaar niet. Met name in de grote steden heeft dit geleid tot een verandering in de samenstelling van de gemeenteraden. De gedachte hierachter was dat mensen die hier al langere tijd verblijven, betrokken zijn geraakt bij hun eigen woonomgeving en daarover dan ook moeten kunnen meebeslissen. Omdat ze nog een andere nationaliteit hebben (en dus niet de Nederlandse nationaliteit), kregen ze geen kiesrecht op nationaal niveau. En ook niet voor de Provinciale Staten, omdat die op hun beurt weer de leden van de Eerste Kamer kiezen.